6666 Dag – 15 Januari 1968 – Zes 6666

5 Juni

Het is ochtend op de eerste bladzijdes van het zesde autobiografisch fragment. Brouwers is op weg naar zijn werk van zijn fiets gevallen. Het is glad. Het is winter. Het regent voor de verandering eens een keer niet. Hij brengt de tijd door “ten burele van,” op het kantoor van Uitgeverij Manteau, waar hij als redakteur werkt. Voortdurend geconfronteerd met onvolkomen Nederlands wordt hij overvallen door heimwee; hij verlangt ernaar in zijn eigen taal te leven. ‘Klankheimwee,’ hoor ik nu in gedachten C.G. zeggen.

Het woord schoot hem te binnen in Noord-Italië, op weg naar de Brennerpas. Het zicht op besneeuwde dennebomen en daarachter besneeuwde bergtoppen, klonk uit de cassettespeler van de auto het geluid van een sitar. Hij had de cassette nog maar heel onlangs in India gekocht, vertelde hij nadat de eerste klanken waren verstorven. Ik weet dat heel goed, omdat ik het op een cassettebandje heb opgenomen, en nog regelmatig afspeel.

De jonge Brouwers heeft zijn hand bij de val bezeerd. Vandaar dat hij voortdurend met zijn gedachten mee op reis gaat. Een vreemd verschijnsel doet zich voor terwijl ik zijn vierenveertig jaar oude mijmeringen lees: ik hoor het gestommel van voetstappen die houten trappen op en af gaan. Ik hoor die niet in het echt, zoals in auditieve hallucinaties gebeurt, daarvoor zijn de steigerbouwers buiten ook te luid, maar de herinnering aan het gestommel klinkt me levendig voor de geest. Ik denk erbij dat in het kantoor waar de jonge Brouwers zit de medewerkers voortdurend grote kartonnnen dozen van de ene ruimte naar de andere dragen.

Misschien heeft mijn fantasie te maken met de Belgische jaren negentig die bevolkt werden door dansgezelschappen, kunst – en modemakers van internationaal niveau. Mijn dozendragers en -draagsters zijn zonder uitzondering goed gekleed; in kostuum of mantelpakje-het was nu eenmaal de tijd dat moderne kantoormedewerksters in managers veranderden en verleidelijke lingerie droegen. En mijn kartonnen dozen dus. Eindeloos gestommel, trap op trap af, doos hier, doos daar. Van hier naar daar ook. Pas de deux en pas de stoel. Ik meen dat ze allemaal in het donkerblauw zijn gekleed, wit overhemd, brillen met zwart montuur. Vandaag moderne dans, morgen een mooie reclamefoto. Geen idee wat het allemaal heeft te betekenen.

15 Januari 1968 / 5 Juni 2012

‘Kijk ik onder de poort door stadinwaarts de brede verkeersweg af die het Jubelpark doorsnijdt, dan móét ik het werkdecor van de metro-aanleg zien: geulen en gaten, hulpbruggen, hekken, lampen, verkeersborden, bouw- en graafmachines, mannen met gele helmen op.’ Een paar regels verder beschrijft hij een toenmalige architectonische visie: ‘Brussel nu is bezig de stad van het jaar 2000 te worden, een stad van wolkenkrabbers boven en een metro onder de grond.’

Maar ik denk aan iets anders, aan de stad die al die jaren visies en plannen heeft overleefd, met zijn Portugese winkels en Afrikaanse eethuisjes, met zijn rommelmarkten, zijn mooie en lelijke en gewone oude huizen en tuinen, zijn smoezelige straten, waar alles schots en scheef lijkt te staan, huizen om dreigen te vallen, een gevolg van de vele heuvels waarop en -tegen de stad is gebouwd; ik denk aan kleine ballonnen, misschien van die witte weerballonnen, die het meteorologisch instituut van Ukkel zo vriendelijk ter beschikking heeft gesteld.

Ik zou ze voor de gelegenheid rood willen verven. Ze zijn evenwel bedoeld om er een ontvanger met luidspreker aan te hangen. De ballonnen moeten niet al te hoog over de huizen zweven. Uit de luidsprekers klinkt blaasmuziek. Iedereen zou even omhoog kijken. De sirenes zouden misschien voor een dag willen zwijgen, het verkeer stilgelegd. Een dag maar, de dag der ballonnen – le jour des ballons.

<<<<Dag 5
>>>>Dag 7

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *