5555 Dag – 25 Februari 1967 – Vijf 5555

4 Juni 2012

Er hangt een dik wolkendek over de stad. De tijd is aangebroken die met wachten wordt doorgebracht. Af en toe regent het, een aarzelend begin, dan allengs sneller, met razend ratelend akoestisch gevolg. Dit is het jaargetijde waarin de regen loodrecht valt, ondoordringbaar lijkt, glinsterend in de afwezigheid van de zon. Ik heb zin een grote kaart van Brussel over de vloer uit te spreiden, maar dat moet wel in een kamer gebeuren waar de warmte hangt van de afgelopen dagen. Zicht op druipend natte struiken zou ook niet slecht zijn. Misschien het raam op een kier geopend om geluiden en geuren gelegenheid te geven schroomvoetend naar binnen te treden.

Het groene in het zuid-oosten, rechtsonder op de kaart, is het Zoniënwoud. Zenne, Zunne, Zoniën, uitgesproken met het gonzend Vlaams accent klinken deze z-woorden naar natte klei, vochtig vermolmd hout en ridderverhalen uit de Robbedoes. Mijn vinger wijst me de weg van de plek waar ik niet ben naar het bos waar ik niet zijn kan. Ik had het graag met de fiets bezocht, op een zonnige dag, dat dan weer wel. Ik was er graag heen gegaan om te zien of mijn vermoeden klopte. In het vijfde hoofdstuk lees ik voor het eerst directe aanwijzingen hoe verhaal en werkelijkheid tot elkaar kunnen worden gebracht met hulp van een eenvoudige koptelefoon en geluidsbestanddrager.

De “ik” en een vriend, Sanson ‘die zich De Goede Moordenaar noemt’ (Reve-lezer, blijkbaar) dringen om middernacht het Zoniënwoud binnen. Aan “ik” verschijnt tussen de bomen een ruiter te paard, een beeld dat sterk aan een schilderij van Magritte laat denken. Maar daar gaat het hier niet om, of misschien ook wel, ergens. Luister eerst maar eens mee naar wat Brouwers schrijft: ‘Naarmate onze ogen langzaam wennen aan de duisternis, wennen onze oren aan de geluiden die de stilte begrenzen. In geringe wind kraken stammen en takken, soms vliegt een vogel op, soms roept een vogel, ergens klatert water, ergens klinkt een klopsignaal. Sanson draagt laarzen die zuchten en zuigen. Zwijgend waden we door de modder.’

En nu kijken; dit is meteen ook de passage die me de eerste versie van het idee bracht: ‘Eeuwenlang zwierven vele schrijvers hier, aan niets anders denkend dan het boek dat ze bezig waren te schrijven, enggeestige naturen, woordballonnen, vreemdelingen in hun eigen bestaan, hier een geliefde boom uitzoekend om tegen te praten of zich andere romantische dingen in het hoofd halend, achteroverliggend naar de wolken kijkend die van boomkruin naar boomkruin glijden, luisterend aan een steen in de verwachting ooit een boek te zullen concipiëren.’

Ik zag het gewoon voor me, daar, starend over de plattegrond van de stad. Maar ik zag een beetje meer, en wel, iemand die in het bos het dagelijkse tafereel van rondkuierende en luierende bezoekers gadeslaat en over een koptelefoon de tekst hoort die de bewegingen van sommige van die bezoekers ineens een andere duiding geeft.

Ik dacht verder, aan korte verhalen die uit argeloze bezoekers romanfiguren maken, of, iets simpeler, luisterstations her en der in de stad met uitgezochte teksten die de suggestie kunnen wekken dat het beschrevene zich aanstonds voor ‘s luisteraars verbouwereerde ogen zal voltrekken: Belcampo’s Het Grote Gebeuren bijvoorbeeld; Jaap Drupsteen ging ons voor. Ik dacht ook aan Willem de Ridder en zijn via de radio geleide speurtochten. De zijne voor auto’s, kon je makkelijk voor voetgangers “concipiëren.” Iedere slimme telefoon is immers ook een radio.

Terwijl mijn plattegrond zich langzaam van de vloer verheft en met mij erop richting raam vliedt, valt mij in dat ik in de resterende dagen waarop ik niet ben waar ik zijn kon, makkelijk zo een verhaal kan schrijven. Ik open het raam. Gelukkig is het nu droog.

25 Februari 1967 – 4 Juni 2012

Een korte onderbreking is er voor iemand die in 1964 overleed in zijn woning, die zich in de Nerviërslaan bevond. Daar had hij uit zijn werkkamer zicht op de kastanjes in het Jubelpark en op een enkele zilverberk. Het is een gespreksopwelling zoals er zovele zijn over personen die ooit wel ergens aan een raam hebben gestaan en naar de bomen hebben gekeken. Het is zo alledaags als alledaags maar zijn kan. En toch is er iets dat dit alledaagse een bijzonder cachet kan geven, waardoor die bomen, ook de persoon achter het raam ineens anders uitzien: een keer per week de straat aan twee kanten afzetten, zodat deze vrij blijft van gemotoriseerd verkeer.

<<<<Dag 4
>>>>Dag 6

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *