1111 Dag – 21 Juli 1964 – Een 1111

A la recherche des Comtes d’Egmont et de Hornes

Je marche depuis la cour intérieure de la maison communale avec ses fontaines, je passe sous le passage couvert et je traverse la Grand Place jusque vers la maison du Roi, l’actuel musée de la ville de Bruxelles.

Je guette les talons qui pourraient m’offrir un claquement sec parmi le brouhaha des touristes. Je contourne comme je peux les groupes en visite guidée.

Aucune trace sur la place d’une pierre indiquant l’emplacement où ont été décapités les Comtes d’Egmont et d’Hornes

Reste une plaque commémorative sur une colonne du musée de la ville, je m’asseois devant un instant. Des touristes discutent à côté de moi, un enfant joue avec un ballon de rugby.

Grand-monde Grand-Place

20120605-122751.jpg

20120605-123217.jpg

20120605-132450.jpg

deux têtes décapitées, le son de leur chute

Grand-Place – audio

30 Mei 2012

Daken zie je. Dat zijn de eerste drie woorden van het boek. Zodra ik de eerste bladzijde heb omgeslagen, maak ik me lichtelijk zorgen en leg het boek op tafel. De lucht die van de bladzijdes opstijgt, bevat misschien ziektekiemen. Sporen zijn toch levende wezens? Voetballers zijn dat ook, spreken net zoals de hoofdpersoon voortdurend in de tweede persoon enkelvoud. Als ik me goed herinner doet Allah dat ook in zijn handleiding voor een beter leven. Al is die geen levend wezen, en heeft hij van voetbal de allerminste sjoege. Toch? “Je weet dat je het moeilijk krijgt als je met een oningespeeld elftal tegen zo’n ervaren ploeg speelt. En ja, als je dan ziet dat die nieuwe jongens na de eerste goal het koppie laten hangen, dan weet je dat het heel moeilijk wordt.” Dat dacht ik terwijl ik in de schaduw van de kersenboom op adem kwam. En ook, waarom niemand in de U-vorm schrijft of spreekt. Anthony Blanche in ‘Brideshead revisited’ had dat misschien gekund, maar die was engels en daar is iedereen you. Daken ziet U. Het boek was misschien heel anders geworden. Maar dan had dat ook voor het tijdperk gegolden.

21 Juli 1964

In gebouwen met een hoogste verdieping is de favoriete plaats altijd het raam. Dat is ook zo op hoge posities waar geen gebouw staat. Op 1600 meter boven de zeespiegel zoekt bijna iedereen naar de plek die op 1603 meter boven de zeespiegel ligt. Dat is vanwege het uitzicht, dus, zeg maar, vanwege de beweging, het schouwen an sich, naar het landschap toe. Het is ook vanwege de tegengestelde beweging die vanuit het landschap vertrekt en dwars door je heen naar een punt achter de blauwe lucht schiet. En je op die raketvlucht lijkt mee te nemen, terwijl je toch blijft waar je bent.

Dat zorgt voor een groots gevoel, dat verder gaat dan het heersen. In essentie komt het neer op een totale zijnsbevestiging, waarin de illusie van het ‘zijn in de wereld’ en van het ‘de wereld is in jou’ perfect op elkaar is afgestemd. Ik weet het, het klinkt esoterisch, maar daar zijn Nederlanders nu eenmaal meester in, in het esoterisch duiden. Maar goed, de jij-persoon van het boek staat op een balkon met bloemetjes en kijkt uit over daken en in de verte ‘afstekend tegen de lucht waarin het morgen wordt, de koepel van het justitiepaleis.’ Dat kan net zo goed de beschrijving van een foto zijn. Op pagina dertien van het boek wordt deze omslag genoemd en de daarop afgebeelde stoel.

20120530-211150.jpg

Een soortgelijke stoel staat in de hotelkamer waarin de jij-persoon zich bevindt met een soortgelijke vrouw uit het boek van de omslag. Ik denk, dat moet een inspirerende tekening zijn geweest. De schrijver verzint er een verhaal bij. Niet dat het zo belangrijk is, deze observatie, zaak is dat we na de eerste zin in Brussel zijn beland.

21 Juli 1964 – 30 Mei 2012

De jij-persoon doet heel andere dingen dan ik, de lezer. Ik doe zelfs heel andere dingen dan mijn voorganger-ik, toen hij heel lang geleden hetzelfde boek las. Ik weet niet wat ik toen erbij dacht of voelde, wellicht komt dat nog. Zoals ook het antwoord op de vraag waarom dit boek me is bijgebleven. Een verklaring schuilt misschien in mijn onhebbelijke gewoonte dingen te willen herinneren, die ik helemaal niet herinneren wil, zoals het lied ‘O Heideroosje (wat ben je mooi)’ dat me nu pardoes te binnen schiet.

Ik kijk mee over die daken en blijf daar. Het is het jaar 1964. Waar zullen mijn gedachten en observeringen terecht komen als mijn fantasie gelijk een vuurpijl van het balkon wordt afgeschoten en na een knal in ontelbare kleine sterren over die daken en de straten neerdaalt, nog steeds ‘afstekend tegen de lucht waarin het morgen wordt?’ Daarover na te denken en aan die gedachten vorm te geven zou betekenen dat ik de tijd kunstmatig bevrucht en nu bepaal hoe het toen was, iets dat documentairemakers of geschiedschrijvers voortdurend doen. Het is nooit zoals het is, ook al zit je er midden in. Maar de tijd die ik binnenstap nu ik dit boek begin te lezen is ook een andere dan die ik betreed zodra ik de deur uitga.

Onbekende datum, vermoedelijk 1968

20120531-143855.jpg

Met een karrevracht van deze veilingkisten kun je het eerste hoofdstuk van het boek nabouwen. Ik bedoel: reconstrueren. Plankjes loswrikken, en gewoon beginnen te timmeren, alsof je aan het strand gevonden planken hebt verzameld en in een duinpan je clubhuis in elkaar zet. Daar mag niemand in, want de club is geheim en heeft maar een lid. De hut die nu ontstaat is een replica natuurlijk; het gaat hier tenslotte om kunst. Over een paar verborgen luidsprekertjes, via draadjes achterdoor langs met cd-spelers verbonden, ingesteld op play en replay worden de citaten afgespeeld, historische opnamen (toespraak van de koning!) en hedendaagse opnamen worden beurtelings in een drie minutenloop herhaald,- ja verdomme, het geld om de apparatuur met een infrarode straal interactief te activeren is er niet, sorry.

Op de tafel in het midden liggen opengeslagen boeken, een stapel boeken waaruit een beschreven (potlood) papiertje steekt, de krant van 21 Juli 1964 en pen en papier uiteraard, liefst origineel, met de doorhalingen en alles. Over de stoel hangt een gele jurk. Tegen de wanden hangen een paar Vlaamse Primitieven, James Ensor, zwart wit foto’s van Brussel, Leopold en Boudewijn en een grote kaart van de stad. Daartussen zijn lijnen en pijlen getekend, waarboven geschreven staat: motief, thema, spiegeling hyperbool, herhaling, climax, citaat, voetnoot.

Dan leert de lezer over het naamloze meisje Sylvie, die eigenlijk een vlaamse primitief, eigenlijk een heks, maar ook eigenlijk een negatieve spiegeling van zijn eigen vrouw is, die, Sylvie dus, de jij-persoon des ochtends in een hotelkamer introduceert en in de griezeltent van de kermis verliest en dat heeft ook een driedubbel gelaagde betekenis. De hotelkamer van de ochtend, trouwens, is eigenlijk een negatieve spiegeling van de ziekenhuiskamer aan het eind van het hoofdstuk en de dag ook, want daar wordt het avond.

Te horen zijn de opnamen uit de twee interieuren via twee verschillende sprekers, luidsprekers -tjes, die om beurten dan weer voor en dan weer achterwaarts worden afgespeeld. Interessant? Neuh. Maar dat is toch niet belangrijk? De compositie van het boek is zozeer doordacht dat ik vermoed dat ieder van de zeven hoofdstukken is toegewezen aan een van de zeven critici die op het achterplat zijn geciteerd. Het getal zeven kan dan weer met de zeven hoofdzonden in verband worden gebracht. Enzoverder enzovoorts. Gevonden vreten voor een criticus, ofwel een gigant van een vettige worst die de schrijver de criticus voorhoudt: kijk eens een boek met allemaal valluiken, verborgen deuren en complimentjes aan Uw belezenheid, kennis en boekenkast. De eerste criticus antwoordt braaf:”.. authentieke, eerlijke bezinning op het eigen bestaan en is daarbij dikwijls vermakelijk.” en dept met het witte brokaten servet de sju van zijn mondhoeken, slikt dan eerst het laatste stuk sausijs door.

Où que tu ailles tu vois le Palais de Justice

20120605-133405.jpg

20120605-133534.jpg

A rebours

Pour rester dans le littéraire, je repense à Huysmans, j’attaque par la fin, au coin de la Rue Haute et de la foire du Midi.

Si Verlaine tirait sur Rimbaud ils iraient ensuite à Saint-Pierre, aux Urgences, c’est là que je me retrouve, un hôpital en chantier.

Je pose mes micros contacts sur une grille métallique, elle résonne avec le vent, la pluie ne va pas tarder, une bâche frotte contre, je savoure les chocs, les harmoniques.

Une grille entre nous

A rebours – audio

Verlaine emmène Rimbaud aux Urgences

20120605-134621.jpg

20120605-134745.jpg

Dans les urgences

Tout s’est passé si vite.. – audio

Zomer 2001

In de vroegte is de ruimte het mooiste, naar de achterzijde beschaduwd en toch helder, bijna wachtend in het groen van de klimop die aan de andere zijde het venster omrankt. “Naar de bodem zinken, terwijl de sluier van eendekroos zich boven je sluit,” denk je, en ook aan de tijden die onmeetbaar ver achter je liggen, kikkerdril, een week later de kikkervisjes, zwarte punten met een wiebelende komma als staart. Daar zou de kleine bar kunnen komen, hooguit drie meter breed. Dan naar de srtaatkant een lange tafel, keukentafelhoogte, met plaats voor acht. Gelukkig komt hier niet veel verkeer. Er klinken af en toe stemmen van voorbijgangers, verder is de straat rustig.

Het is een prettige ruimte, geen renovatieformica, de deuren van hout, het plafond iets hoger dan nieuwbouwnormaal; de geur van pas witgestreken wanden is verdwenen. Een meter of vier van de bar een paar makkelijke stoelen, en hier naast de deur naar de gang een tweezitter, bordeauxrood graag, van dat stof waarop je zo snel de pluisjes ziet. De meeste stoelen zullen bezet zijn door poppen, levensgrote poppen. Ze moeten lijken op bezoekers die verstarden toen er onverwacht een foto werd genomen. Ja, ja een paar staan in kleine groepjes bijeen. Bij ieder van deze groepjes, dus ook aan de tafels, bij de bar en de tweezitter staat een oude lampenradio. En die lampenradio murmelt zachtjes, een beetje voor zichzelf, niet opdringerig, bedoeld om naar te luisteren, niet om te horen. Bij de bar wordt ongecompliceerde luistermuziek steeds onderbroken door een verslag van de Tour. Een ander speelt van die mierende klassieke vioolmuziek. Bij de makkelijke stoelen is de hele tijd iemand aan het woord, geen idee waarover hij spreekt. Aan de lange tafel waren ze aan een kaartspel begonnen, op de radio een programma over tuinieren. Zo zal het uitzien.

Op de dag van de opening komt een werkster om de glasgordijnen op te hangen. ‘s Middags brengen twee mannen van de brouwerij een paar vaten bier. Niemand vermoedt nog dat vlak voor het vallen van de avond de aarde (lees: de vloer) een paar keer zal schokken, niet te krachtig. Maar al bij de eerste schok zal ieder van de poppen tot stof vergaan en niets dan een pyramidevormige hoop gruis achterlaten. De radio’s blijven zachtjes spelen. Luis Ocaña wint de bergetappe naar Orcières-Merlette.

<<<<Dag 0
>>>>Dag 2

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *