0000 Dag – September 1969 – Nul 0000

September 1969

Het boek begint op de achterkant. Een lange rij citaten is ter aanbeveling afgedrukt. Ieder ervan is onmiskenbaar deel van een naar zuiver geweten en met nog zuiverder penvoering geschreven kritiek. De woorden vormen zinsdelen, opsommingen, tussenvoegsels, hebben plaatsgenomen, eerst nadat ze een korte buiging hebben gemaakt. Hoe de afzonderlijke letters zich thuis tot die woorden hebben gekleed is niet bekend. Ieder van hen zal zich nog voor achten ‘s morgens op weg hebben begeven naar het huis van de criticus.

Hij is een heer die Marnix Gijsen, Alfred Kossmann of Paul de Wispelaere wordt genoemd. Hoe ze er ook uit hebben gezien, vanuit mijn positie in een stoel met roodbruine lederen zitting zien ze er allen eender uit. De criticus heeft een kalende schedel die goud vlamt in het licht van de naar binnen schijnende zon, een puntbaardje uit de negentiende eeuw en een gekleed pak, waaraan je kunt zien dat het bij een kleermaker is besteld. Hij heeft een paar volgetypte vellen papier in zijn hand, leest in volste concentratie. Hij staat tussen bureau en boekenkast; het bureau is ongeordend, stapels boeken en manuscripten. De boekenkast reikt tot aan het plafond. Achter het gordijn staat een laddertje. De stoel kraakt als ik mijn positie verander. Dat wil ik niet. Ik wil niet storen.

13 Oktober 1978

Kees Fens was iemand anders. Zijn aanbeveling luidde: “Een boeiend boek.” Drie woorden volstonden. Fens schreef voor de Volkskrant. Hij definieerde het woord ‘verveling’ keer op keer. Niet dat hij het wilde. Ik meen dat hij hoogleraar was aan de faculteit Neerlandistiek van de Universiteit van Nijmegen. De Volkskrant was een katholieke krant, maar ze wilden ook progressief zijn in een tijd dat progressief nog een politieke connotatie had. Ik vond het moeilijk die krant te lezen.

Geur, maar ook lettertype klopte niet. Dat had iets van zware eikenhouten meubelen met net een paar krullen te veel erin gesneden. Het soort meubilair dat je bij een sexloze, al weet je het nooit bisschop in zijn woonkamer vermoedde. Daar waar het altijd half duister is, omdat het leven een tranendal is. Die verveling was heel diepgaand. Het weten was heel belangrijk toen. En het moest in het schrijven tot uitdrukking komen. De zinnen roken naar kamfer. Wat er stond was de gemaskeerde twijfel. Het was twijfel die niet op mocht komen, omdat je toen nog was zoals je dacht. Maar wat je dacht was door anderen bedacht. En dat kon alleen bewaard worden in een gezicht met serieuze trekken.

Het grootste deel van de tijd verzonken in het formuleren, in het zoeken naar woorden, in eer en geweten, in cultuur, in een samenleving die zich langzaam ontwikkelde, in de opgave daaraan mee te werken, mocht hij even opkijken, de kleine ogen nog kleiner achter zijn leesbril, een beetje kale vogelkop had hij: “Een boeiend boek.”

30 Mei 2012

De dagen hebben een geur. We leven nauwelijks met onze neus. Geurtjes zijn vanzelfsprekend, vallen pas op als ze de verhoudingen verstoren. Dan zijn het plotseling signalen. Een vrouw en haar parfum worden pardoes door geletterde lieden naar de pre-historie of het dierenrijk verbannen, niet dat de dame de verstuivende alcoholmix gewoon lekker vindt ruiken. Vroeger las je van ‘spruitjeslucht’ en dat moest dan zinbeeld zijn van een beklemmend kleinburgerlijk milieu en de zich daarin afspelende ongelukkige jeugd. Ik moet er geregeld aan denken als ik spruitjes eet. Ik vind spruitjes heerlijk. Ze ruiken helemaal niet kleinburgerlijk.

Een chemicus zal de geurpartikels weten te ontleden. Hij weet ook hoe ze worden afgegeven door voorwerpen of mensen, voedsel en bloesems en op luchtstromen drijven totdat ze ergens aan blijven hechten. Het is een proces dat in alle huizen en gebouwen plaatsvindt. Iedere kamer heeft zijn eigen geur, maakt dat de bewoner ervan zich daar thuis voelt; ieder gebouw ruikt anders, soms zelfs typisch, dwingt daardoor tot een gedrag en een soort bewegen waarvan je zelf niet weet hoe typisch het is. Soms stoot je in een stad op een afgebroken huis. De geur van tientallen jaren hangt over en om het terrein. Het maakt nieuwsgierig. Maar er is ook een fascinatie voor het onbekende, waarvan je nooit zult weten of het nog in leven is, en wat voor een leven het precies was.

27 April 1975

Bij een bezoek aan Maastricht daarheen gereisd over het miljoenenlijntje hoorde niet alleen de reis zelf. De trein bereikte kort na het verlaten van Heerlen al het eerste buitenland. Dat lag ergens voorbij Schin op Geul en het het dorp omringend glooiend landschap. Vanaf het mondaine Valkenburg veranderde de wereld voorgoed. Hic waren niet zozeer leones, maar mensen die anders spraken, en op de een of andere manier, ook door een zekere trots, de indruk maakten daar thuis te horen. Wandelend door de straten en stegen van de Maasstad was ik vooral een bezoeker. Een van de winkels waar ik altijd naar binnen ging was ‘de Slegte.’ Daar lagen heel veel slechte boeken op grote stapels, het door ontelbare vettige vingers en vuile handen bezoedelde ‘inkijkexemplaar’ boven op.

Voor de Nederlandse literatuur begon ik me pas te interesseren nadat ik vier maanden voor mijn eindexamen van school was verwijderd. De namen van mijn leraren Nederlands kan ik me niet meer herinneren, van de andere trouwens ook niet. Ach ja toch, juffrouw Tander. ‘Boeken voor de lijst’ las ik niet; het was een sport uittreksels te verzamelen. Niemand kon me uitleggen waarom ik Reve of Hermans moest lezen, Belcampo. Jan Hendrik vanden Berg (debuut in 1956!) moest nog worden uitgevonden. Tijdens de Nederlandse les werd je bijgebracht wat een meewerkend voorwerp of een naamwoordelijk deel van het gezegde was. Techniek. Ook bij het voetbal niet mijn sterkste punt. Daar had ik snel in de gaten dat je de bal het beste zo snel mogelijk kon afgeven. Maar dit terzijde, hoewel mijn interesse voor Maastricht ook voor een deel te danken was aan Willy Brokamp en Ivan Mraz, legendarische voorwaartsen van MVV.

Het boek dat ik nu voor U zal gaan lezen kocht ik voor het eerst bij ‘de Slegte.’ Meer dan drie gulden negentig zal ik er niet voor betaald hebben. In de grote ramsjwinkel moest je minstens een uur zoeken voordat je iets vond. Isaiah Berlin bijvoorbeeld als enigste voorbeeld wellicht. Later toen ik meer geld had kocht ik ook boeken in het nieuw. Een echte aansteller die eerste drukken verzamelde die slechts met witte handschoenen mochten worden opgepakt, ben ik nooit geworden. Maar ik geloof, dat het slechts een tijdverschijnsel was, toen in het midden van de jaren zeventig een soort weltschmerzende elegantie als een licht parfum opsteeg van de culturele pagina’s van de kranten en Johan Polak ineens wereldberoemd werd in Nederland.

>>>>Dag 1

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *